Defaults







Om regenwatermaatregelen op een perceel te kunnen dimensioneren en de effecten daarvan te berekenen, wordt het perceel in de tool geschematiseerd door middel van een aantal bouwstenen. Zo kan voor het oppervlak van een tuin worden gekozen planten, gras, grond, klinkers, tegels of asfalt. Voor het rekenen met deze bouwstenen worden default parameters gebruikt, voor bijvoorbeeld de waterberging, doorlatendheid of verdamping. Bouwstenen (onderdelen) PerceelTool De volgende onderdelen worden gebruikt voor de schematisering van het perceel:

  • dak substraat
  • dak drainage
  • dak afvoer
  • verharding
  • tuin
  • laagteberging
  • grondsoort
  • porositeit
  • laagdikte (cunet)
  • riool
  • volume voorziening
  • watervraag

Voor al deze onderdelen zijn default parameters ingesteld, die op deze pagina worden toegelicht. Dak substraatlaag Voor het substraat van een groen (begroeid/vegetatie) dak zijn 3 keuzes gegeven:

  • mos/sedum: relatief dun substraat met een waterberging van circa 12 mm, bij een aanbevolen substraatdikte van 40 mm voor begroeiing met sedum (volgens FLL), met verdampingsfactor 0,8.
  • sedum/kruiden: dikker substraat met een waterberging van circa 30 mm, bij een aanbevolen substraatdikte van 100 mm voor begroeiing met sedum en kruiden (volgens FLL), met een verdampingsfactor 1,0.
  • kruiden/grassen: nog wat dikker substraat met een waterberging van 50 mm, bij een aanbevolen substraatdikte van tenminste 150 mm voor begroeiing met kruiden en grassen (volgens FLL), met een verdampingsfactor 1,2.

Voor het volume voor waterberging is uitgegaan van circa 30% van de aanbevolen substraatdikte. De verdamping wordt via de factor berekend ten opzichte van het jaarverloop van de verdamping volgens Penman (zie RainTools). * Op basis van recent gestart onderzoek naar de verdamping van groene daken, worden deze default verdampingsfactoren mogelijk in de loop van 2018/2019 aangepast. Dak drainagelaag De drainagelaag van een groen (begroeid/vegetatie) dak kan uit twee delen bestaan:

  • vochtberging in holtes die alleen geledigd kan worden door verdamping,
  • waterberging van waaruit het water via de dakafvoer wordt afgevoerd.

Voor beide parameters is keuze mogelijk uit de volgende combinaties waterberging en vochtberging (in mm):

  • 20 / 2 mm
  • 40 / 2 mm en 40 / 5 mm
  • 50 / 2 mm en 50 / 5 mm
  • 60 / 2 mm en 60 / 5 mm
  • 80 / 2 mm en 80 / 5 mm
  • 100 / 2 mm en 100 / 5 mm
  • 120 / 2 mm en 120 / 5 mm
  • 150 / 2 mm en 150 / 5 mm

Voor de verdamping vanuit de drainagelaag geldt in alle gevallen een verdampingsfactor van 0,25. Naast een drainagelaag, is ook te kiezen voor een (traditioneel) hellend of een plat dak. Het hellende of platte dak heeft geen waterberging in de drainagelaag, maar wel een vochtberging van respectievelijk 1 en 2 mm. De verdampingsfactor van beide daken is 1,0. >>> die 2 mm op een plat dak is misschien wat aan de lage kant Dak afvoer De afvoer van het dak wordt beschreven door een breedte en hoogte van de dakafvoer (in mm’s) en een ‘exponent eenheid’ die de afvoervertraging beschrijft, van geen (0) tot maximaal (3). De volgende afmetingen van de afvoeropening (hoogte x breedte) zijn te kiezen (in combinatie met elke afvoervertraging):

  • 30 x 30
  • 40 x 40
  • 50 x 50
  • 50 x 100
  • 50 x 150
  • 50 x 150

Voor een dak met meerdere dakafvoeren, bijvoorbeeld 2 stuks met een opening van 50*50 mm kan 1 afvoer met een bredere opening van 50 x 100 mm worden gekozen. Bij elk van de bovenstaande afmetingen dakafvoeren kan uit de volgende afvoervertragingen (exponenten) worden gekozen.

  • geen (=0)
  • minimaal (=0,5)
  • normaal (=1)
  • sterk (=2)
  • maximaal (=3).

Een nadere uitleg van het begrip afvoervertraging is uitgewerkt in een rekenvoorbeeld. Verharding Voor de verharding in de tuin is een keuze mogelijk uit onderstaande tien typen, met genoemde default waarden voor respectievelijk de volgende parameters (zie tabel):

  • doorlatendheid; infiltratie (lediging) van de oppervlakteberging naar het cunet (fundering)
  • vochtberging; kan alleen ledigen door verdamping, infiltreert niet, is groter bij warme en bij poreuze oppervlakken
  • oppervlakteberging; waterberging in voegen van verharding en tijdelijke plassen in lage delen, kan ledigen door met name infiltratie en door verdamping
  • verdampingsfactor; voor verdamping vanuit vochtberging en oppervlakteberging.

Kenmerken typen verhardingen

nr type oppervlak door latend heid vocht berging opper vlakte berging
eenheid mm/h mm mm
1 klinkers 5 1 2
2 klinkers 30 1 3
3 klinkers 60 1 4
4 klinkers 90 1 4
5 stoep tegels 3 1 1
6 grote tegels 1 1 1
7 grind 5 cm dik 2000 1 15
8 grind 10 cm dik 2000 2 30
9 grind 20 cm dik 2000 3 60
10 asfalt 0 1 0

Voor de verdampingsfactor is voor alle verhardingen uitgegaan van factor 1. Tuin Voor de tuin is uit alle bovenstaande tien typen verhardingen te kiezen (met gelijke dezelfde parameters). Daarnaast is keuze mogelijk uit de volgende vijf typen onverhard oppervlak, met bijbehorende parameters:

  • doorlatendheid; infiltratie (lediging) van de oppervlakteberging naar het cunet (fundering)
  • vochtberging; kan alleen ledigen door verdamping, infiltreert niet, is groter bij warme en bij poreuze oppervlakken
  • oppervlakteberging; waterberging in voegen van verharding en tijdelijke plassen in lage delen, kan ledigen door met name infiltratie en door verdamping
  • verdampingsfactor; voor verdamping vanuit vochtberging en oppervlakteberging.

Kenmerken typen onverhard oppervlak

nr type oppervlak door latend heid vocht berging opper vlakte berging
eenheid mm/h mm mm
1 planten, open 20 3 10
2 planten, dicht 20 5 10
3 gras, goed doorlatend 30 2 8
4 gras, goed doorlatend 20 2 6
5 gras, goed doorlatend 10 2 4

Voor alle gras-oppervlakken is een verdampingsfactor 1,0 aangehouden, voor de open beplanting 0,8 en dichte beplanting 1,2. Naast deze vijf typen onverhard oppervlak, is het mogelijk om ook uit alle bovenstaande tien typen verhardingen te kiezen (met dezelfde parameters). Dit maakt het mogelijk om eenvoudig het effect van de toename van verharding in de tuin te bepalen en vergelijken, zonder de indeling te hoeven aanpassen. Opgemerkt wordt dat bij het verhard oppervlak in de tuin niet kan worden gekozen voor de onverharde typen, hiervoor moet de indeling worden aangepast. >>> deze tekst hoort misschien op uitleg schematisering ? Laagteberging Hiermee is aan te geven welk gedeelte van de tuin of groenstrook lager ligt. De volgende keuzes zijn mogelijk:

  • 20%, 40%, 60% of 80% van het oppervlak en ligt 50 mm lager
  • 20%, 40%, 60% of 80% van het oppervlak en ligt 100 mm lager
  • 20%, 40%, 60% of 80% van het oppervlak en ligt 150 mm lager
  • 20%, 40%, 60% of 80% van het oppervlak en ligt 200 mm lager
  • 20%, 40%, 60% of 80% van het oppervlak en ligt 250 mm lager

Grondsoort Voor de grondsoort van de ondergrond zijn onderstaande keuzes mogelijk, met de daarbij genoemde verticale (bodem) doorlatendheid en horizontale (wand) doorlatendheid (mm/dag). De doorlatendheid hangt sterk samen met de toestand en structuur van de grond. Bij het voorkomen van scheuren, barsten en gangen kan de doorlatendheid vele malen groter zijn. Hieronder is uitgegaan van een lage doorlatendheid van klei en veen. De onverzadigde doorlatendheid is verder afhankelijk van het bodemvochtgehalte; deze afhankelijkheid wordt niet in de berekening meegenomen. Kenmerken grondsoorten:

nr type grondsoort

doorlatendheid verticaal

doorlatendheid horizontaal
eenheid mm/dag mm/dag
1 klei 10 10
2 zandige klei 50 50
3 veen 5 10
4 kleiig veen 3 5
5 zandig veen 25 50
6 fijn zand 1000 3000
7 zand 2000 6000
8 grof zand 10000 10000
9 fijn grind 50000 50000

Afhankelijk van de grondsoort en bodemvorming, kunnen de verticale en horizontale doorlatendheid verschillend zijn. Voor veen is uitgegaan van een gemiddelde ‘anisotropiefactor’ van 2; dat wil zeggen dat de horizontale doorlatendheid twee keer groter is dan de verticale doorlatendheid. Voor zand is uitgegaan van een gemiddelde ‘anisotropiefactor’ van 3. Voor grind en klei geldt een ‘anisotropiefactor’ van 1; de horizontale en verticale doorlatendheid hiervan is gelijk aan elkaar Bronnen: Alterra-rapport 1212; De doorlatendheid van de bodem voor infiltratiedoeleinden, 2005; Grondwaterzakboekje, 2016; Cultuurtechnisch Vademecum, 1988. Porositeit De porositeit is op te geven voor het cunet onder het verhard oppervlak, de grindstrook en de infiltratievoorziening. Dit is het volume percentage van het ‘vulmateriaal’ dat beschikbaar is voor waterberging. De volgende keuzes zijn mogelijk (tussen haakjes het volume%):

  • holle ruimte (95%)
  • fijn zand (45%)
  • lavasteen (40%)
  • grof zand (35%)
  • grind (35%)
  • drainagezand (25%)
  • zand (20%) ???

De porositeit van een cunet onder een onverhard oppervlak is aangehouden op 30%. De porositeit hangt onder andere af van de vorm van de korrels en de homogeniteit van de korrelgrootte. Vulmateriaal van ronde korrels heeft een lagere porositeit dan van hoekige korrels. Vulmateriaal met een grote spreiding in korrelgrootte kan extreem dicht zijn en dus een zeer lage porositeit hebben. Voor bovenstaande waarden van de porositeit is uitgegaan van vulmateriaal met een homogene korrelgrootte. Laagdikte (cunet) Hier wordt de laagdikte van het cunet onder het verhard en onverhard oppervlak en rond de infiltratievoorziening aangegeven. Keuze is mogelijk uit de volgende laagdiktes: 0, 50, 100, 150, 250, 300, 400 en 500 mm. Riool Voor het riool(stelsel) kan worden gekozen uit gemengde, gescheiden en verbeterd gescheiden riolering, met elk een verschillende overloopcapaciteit van de riooloverstorten (normaal, hoog of laag):

  • gemengde rioolstelsel: 9 mm berging, 0,7 mm/h regenwaterafvoer naar rioolwaterzuivering
  • gescheiden rioolstelsel: 0,1 mm berging, 0,0 mm/h regenwaterafvoer naar rioolwaterzuivering
  • verbeterd gescheiden rioolstelsel: 4 mm berging, 0,3 mm/h regenwaterafvoer naar rioolwaterzuivering

De overloopcapaciteit van het rioolstelsel is: 21,6 mm/h (normaal), 32,4 mm/h (hoog) of 14,4 mm/h (laag). Volume grindstrook Voor het volume van de grindstrook wordt onderscheid gemaakt in de breedte en de diepte van de strook (in cm). De volgende keuzes zijn mogelijk:

  • breedte: 25, 50, 75, 100, 125, 150, 175 en 200 cm
  • diepte: 5, 10, 20, 40, 60, 80 en 100 cm

Bij de grindstrook kan ook een porositeit worden opgegeven. Het verschil met een cunet is dat de grindstrook zich aan het tuinoppervlak bevindt en er geen toplaag aanwezig is. Volume voorziening (infiltratievoorziening of benuttingstank) Voor de bruto inhoud van een infiltratievoorziening of een benuttingstank is de keuze uit: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 15, 20, 25, 30, 40 en 50 m3. Bij een infiltratievoorziening kan ook een porositeit worden opgegeven. Watervraag (benutten regenwater) Voor de watervraag van een perceel is de keuze uit de volgende debieten: 25, 50, 75, 100, 125, 150, 200, 250, 300, 350, 400, 500, 600, 700,800, 900, 1000 en 1500 liter/dag. Links naar schematisering onderdelen:

Datum laatste wijziging webpagina 20181012