Default parameters

Om regenwatermaatregelen op een perceel te kunnen dimensioneren en de effecten daarvan te berekenen, wordt het perceel in de tool geschematiseerd door middel van een aantal bouwstenen. Zo kan voor het oppervlak van een tuin worden gekozen planten, gras, grond, klinkers, tegels of asfalt. Voor het rekenen met deze bouwstenen worden default parameters gebruikt, voor bijvoorbeeld de waterberging, doorlatendheid of verdamping.

Bouwstenen (onderdelen) PerceelTool
De volgende onderdelen worden gebruikt voor de schematisering van het perceel:

      • dak substraat
      • dak drainage
      • dak afvoer
      • verharding
      • tuin
      • laagteberging
      • grondsoort
      • porositeit
      • laagdikte (cunet)
      • riool
      • volume voorziening
      • watervraag

Voor al deze onderdelen zijn default parameters ingesteld, die op deze pagina worden toegelicht.

Dak substraatlaag
Voor het substraat van een groen (begroeid/vegetatie) dak zijn 10 voorkeuzes gegeven:

      • mos/sedum 40 mm substraatdikte met circa 14 mm waterberging en verdampingsfactor 0,8,  een aanbevolen substraatdikte voor begroeiing met sedum (volgens FLL)
      • sedum/kruiden 60 mm substraatdikte met circa 20 mm waterberging en verdampingsfactor 0,9
      • sedum/kruiden 80 mm substraatdikte met circa 24 mm waterberging en verdampingsfactor 1,0
      • sedum/kruiden 100 mm substraatdikte met circa 30 mm waterberging en verdampingsfactor 1,0
      • kruiden/grassen 150 mm substraatdikte met een waterberging van circa 40 mm en verdampingsfactor 1,1
      • kruiden/grassen 200 mm substraatdikte met circa 50 mm waterberging en verdampingsfactor 1,1
      • kruiden/grassen 250 mm substraatdikte met circa 63 mm waterberging en verdampingsfactor 1,1
      • kruiden/grassen 300 mm substraatdikte met een waterberging van circa 75 mm en een verdampingsfactor 1,2
      • kruiden/grassen 400 mm substraatdikte met een waterberging van circa 100 mm en verdampingsfactor 1,2
      • kruiden/grassen 500 mm substraatdikte met een waterberging van circa 125 mm en verdampingsfactor 1,2

Voor het volume voor waterberging is uitgegaan van circa 30% van de aanbevolen substraatdikte. De verdamping wordt via de factor berekend ten opzichte van het jaarverloop van de verdamping volgens Penman (zie RainTools).

* Op basis van recent gestart onderzoek naar de verdamping van groene daken, worden deze default verdampingsfactoren mogelijk in de loop van 2018/2019 aangepast.

Dak drainagelaag
De drainagelaag van een groen (begroeid/vegetatie) dak kan uit twee delen bestaan:

  • vochtberging in holtes die alleen geledigd kan worden door verdamping,
  • waterberging van waaruit het water via de dakafvoer wordt afgevoerd.

Voor beide parameters is keuze mogelijk uit de volgende combinaties waterberging (mm) en vochtberging (in mm):

      • 20 / 2 mm
      • 40 / 2 mm en 40 / 5 mm
      • 50 / 2 mm en 50 / 5 mm
      • 60 / 2 mm en 60 / 5 mm
      • 80 / 2 mm en 80 / 5 mm
      • 100 / 2 mm en 100 / 5 mm
      • 120 / 2 mm en 120 / 5 mm
      • 150 / 2 mm en 150 / 5 mm

Voor de verdamping vanuit de drainagelaag geldt in alle gevallen een verdampingsfactor van 0,25.

Naast een drainagelaag, is ook te kiezen voor een (traditioneel) hellend of een plat dak. Het hellende of platte dak heeft geen waterberging in de drainagelaag, maar wel een vochtberging van respectievelijk 1 en 2 mm. De verdampingsfactor van beide daken is 1,0.

Dak afvoer
De afvoer van het dak wordt beschreven door een breedte en hoogte van de dakafvoer (mm) en een ‘exponent eenheid’ die de afvoervertraging beschrijft, van geen (0) tot maximaal (3).

De volgende afmetingen van de afvoeropening (hoogte x breedte) zijn te kiezen (in combinatie met elke afvoervertraging):

      • 30 x 30 mm
      • 40 x 40 mm
      • 50 x 50 mm
      • 50 x 100 mm
      • 50 x 150 mm
      • 50 x 200 mm

Voor een dak met meerdere dakafvoeren, bijvoorbeeld 2 stuks met een opening van 50*50 mm kan 1 afvoer met een bredere opening van 50 x 100 mm worden gekozen.

Bij elk van de bovenstaande afmetingen dakafvoeren kan uit de volgende  afvoervertragingen (exponenten) worden gekozen.

      • geen (= 0)
      • minimaal (= 0,5)
      • normaal (= 1)
      • sterk (= 2)
      • maximaal (= 3)

Een nadere uitleg van het begrip afvoervertraging is uitgewerkt in een rekenvoorbeeld.

Verharding
Voor de verharding in de tuin is een keuze mogelijk uit onderstaande tien typen, met genoemde default waarden voor respectievelijk de volgende parameters (zie tabel):

      • doorlatendheid; infiltratie (lediging) van de oppervlakteberging naar het cunet (fundering)
      • vochtberging; kan alleen ledigen door verdamping, infiltreert niet, is groter bij warme en bij poreuze oppervlakken
      • oppervlakteberging; waterberging in voegen van verharding en tijdelijke plassen in lage delen, kan ledigen door met name infiltratie en door verdamping
      • verdampingsfactor; voor verdamping vanuit vochtberging en oppervlakteberging.

Kenmerken typen verhardingen

nr type
oppervlak
door
latend
heid
vocht
berging
opper
vlakte
berging
eenheid mm/h mm mm
1 klinkers 5 1 1
 2 klinkers 30 1 2
 3 klinkers 60 1 3
 4 klinkers 90 1 4
 5 stoep tegels 3 1 1
6 grote tegels 1 1 1
7 grind 5 cm dik 2000 3 15
8 grind 10 cm dik 2000 5 30
9 grind 20 cm dik 2000 8 60
10 asfalt 0 1 0

Voor de verdampingsfactor is voor alle verhardingen uitgegaan van factor 1.

Tuin (onverhard)
Voor de tuin is uit alle bovenstaande tien typen verhardingen te kiezen (met gelijke dezelfde parameters). Daarnaast is keuze mogelijk uit de volgende tien typen onverhard oppervlak, met bijbehorende parameters:

      • doorlatendheid; infiltratie (lediging) van de oppervlakteberging naar het cunet (fundering)
      • vochtberging; kan alleen ledigen door verdamping, infiltreert niet, is groter bij warme en bij poreuze oppervlakken
      • oppervlakteberging; waterberging in voegen van verharding en tijdelijke plassen in lage delen, kan ledigen door met name infiltratie en door verdamping
      • verdampingsfactor; voor verdamping vanuit vochtberging en oppervlakteberging

Kenmerken typen onverhard oppervlak

nr type
oppervlak
door
latend heid
vocht
berging
opper
vlakte
berging
eenheid mm/h mm mm
1 beplanting, open 20 3 5
2 beplanting, open 30 3 5
3 beplanting, dicht 20 5 5
4 beplanting, dicht 30 5 5
5 gras,  kort 10 2 3
6 gras,  kort 20 2 3
7 gras,  kort 30 2 3
8 gras,  lang 10 5 3
9 gras, lang 20 5 3
10 gras, lang 30 5 3

Bij beplanting open en dicht is onderscheid gemaakt in 2 verschillende doorlatendheden: 20 en 30 mm/h. Bij dichte beplanting is de vochtberging wat groter dan bij open beplanting. Bij grasoppervlak is onderscheid gemaakt in kort en lang gras. Bij lang gras is de vochtberging groter dan bij kort gras.

Voor alle gras-oppervlakken is een verdampingsfactor 1,0 aangehouden, voor de open beplanting 0,8 en dichte beplanting 1,2.

Laagteberging
Hiermee is aan te geven welk gedeelte van de tuin of groenstrook lager ligt. De volgende keuzes zijn mogelijk:

      • 20%, 40%, 60% of 80% van het oppervlak en ligt 50 mm lager
      • 20%, 40%, 60% of 80% van het oppervlak en ligt 100 mm lager
      • 20%, 40%, 60% of 80% van het oppervlak en ligt 150 mm lager
      • 20%, 40%, 60% of 80% van het oppervlak en ligt 200 mm lager
      • 20%, 40%, 60% of 80% van het oppervlak en ligt 250 mm lager
      • 20%, 40%, 60% of 80% van het oppervlak en ligt 300 mm lager

Grondsoort
Voor de grondsoort van de ondergrond zijn onderstaande keuzes mogelijk, met de daarbij genoemde verticale (bodem) doorlatendheid en horizontale (wand) doorlatendheid (mm/dag). De doorlatendheid hangt sterk samen met de toestand en structuur van de grond. Bij het voorkomen van scheuren, barsten en gangen kan de doorlatendheid vele malen groter zijn. Hieronder is uitgegaan van een lage doorlatendheid van klei en veen.

De onverzadigde doorlatendheid is verder afhankelijk van het bodemvochtgehalte; deze afhankelijkheid wordt niet in de berekening meegenomen.

Kenmerken grondsoorten:

nr type grondsoort

doorlatendheid
verticaal

doorlatendheid
horizontaal

eenheid mm/dag mm/dag
 1 klei 10 10
 2 zandige klei 50 50
 3 veen 5 10
 4 kleiig veen 3 5
 5 zandig veen 25 50
 6 fijn zand 1000 3000
 7 zand 2000 6000
 8 grof zand 10000 10000
 9 fijn grind 50000 50000

Afhankelijk van de grondsoort en bodemvorming, kunnen de verticale en horizontale doorlatendheid verschillend zijn. Voor veen is uitgegaan van een gemiddelde ‘anisotropiefactor’ van 2; dat wil zeggen dat de horizontale doorlatendheid twee keer groter is dan de verticale doorlatendheid. Voor zand is uitgegaan van een gemiddelde ‘anisotropiefactor’ van 3. Voor grind en klei geldt een ‘anisotropiefactor’ van 1; de horizontale en verticale doorlatendheid hiervan is gelijk.

Bronnen: Alterra-rapport 1212; De doorlatendheid van de bodem voor infiltratiedoeleinden, 2005; Grondwaterzakboekje, 2016; Cultuurtechnisch Vademecum, 1988.

Porositeit
De porositeit is op te geven voor het cunet onder het verhard oppervlak, de grindstrook en de infiltratievoorziening. Dit is het volume percentage van het ‘vulmateriaal’ dat beschikbaar is voor waterberging. De volgende keuzes zijn mogelijk (tussen haakjes het volume%):

      • holle ruimte (95%)
      • fijn zand (45%)
      • lavasteen (40%)
      • grof zand (35%)
      • grind (35%)
      • drainagezand (25%)
      • zand (20%) ???

De porositeit van een cunet onder een onverhard oppervlak is aangehouden op 20 en 30%.

De porositeit hangt onder andere af van de vorm van de korrels en de homogeniteit van de korrelgrootte. Vulmateriaal van ronde korrels heeft een lagere porositeit dan van hoekige korrels. Vulmateriaal met een grote spreiding in korrelgrootte kan extreem dicht zijn en dus een zeer lage porositeit hebben. Voor bovenstaande waarden van de porositeit is uitgegaan van vulmateriaal met een homogene korrelgrootte.

Laagdikte (cunet)
Hier wordt de laagdikte van het cunet onder het verhard en onverhard oppervlak en rond de infiltratievoorziening aangegeven. Keuze is mogelijk uit de volgende laagdiktes: 0, 50, 100, 150, 250, 300, 400 en 500 mm.

Riool
Voor het riool(stelsel) kan worden gekozen uit gemengde, gescheiden en verbeterd gescheiden riolering, met elk een verschillende overloopcapaciteit van de riooloverstorten (normaal, hoog of laag):

      • gemengde rioolstelsel: 9 mm berging, 0,7 mm/h regenwaterafvoer naar rioolwaterzuivering
      • gescheiden rioolstelsel: 0,1 mm berging, 0,0 mm/h regenwaterafvoer naar rioolwaterzuivering
      • verbeterd gescheiden rioolstelsel: 4 mm berging, 0,3 mm/h regenwaterafvoer naar rioolwaterzuivering

De overloopcapaciteit van het rioolstelsel is: 21,6 mm/h (normaal), 32,4 mm/h (hoog) of 14,4 mm/h (laag).

Volume grindstrook
Voor het volume van de grindstrook wordt onderscheid gemaakt in de breedte en de diepte van de strook (in cm). De volgende keuzes zijn mogelijk:

      • breedte: 250, 500, 750, 1000, 1250, 1500, 1750, 2000 mm
      • diepte: 50, 100, 200, 400, 600, 800, 1000, 1250 en 1500 mm

Bij de grindstrook kan ook een porositeit worden opgegeven. Het verschil met een cunet is dat de grindstrook zich aan het tuinoppervlak bevindt en er geen toplaag aanwezig is.

Volume voorziening (infiltratievoorziening of benuttingstank)
Voor de bruto inhoud van een infiltratievoorziening of een benuttingstank is de keuze uit: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 15, 20, 25, 30, 40 en 50 m3. Bij een infiltratievoorziening kan ook een porositeit worden opgegeven.

Watervraag (benutten regenwater)
Voor de watervraag van een perceel is de keuze uit de volgende debieten: 25, 50, 75, 100, 125, 150, 200, 250, 300, 350, 400, 500, 600, 700, 800, 900, 1000 en 1500 liter/dag.

Links naar schematisering onderdelen:

Laatste wijziging pagina: